marijke

Interview: Samen zoeken naar oplossingen

Marijke Tibosch is orthopedagoog en gezondheidszorgpsycholoog. Ze werkt in het Radboudziekenhuis en het Regionaal Astma en Allergiecentrum voor Kinderen (RAAcK) in Nijmegen.

Wat doe je precies?

Ik zie kinderen, jongeren en ouders die verwezen worden door de kinderlongarts omdat hun astma niet goed onder controle is of omdat de kinderarts denkt dat psychosociale factoren een rol spelen. Ik werk op twee locaties. In het Radboud zien we kinderen met uiteenlopende longaandoeningen en in het RAAcK voornamelijk kinderen met (moeilijk behandelbaar) astma en/of allergie.

Waarom hebben kinderen met astma een psycholoog nodig?

De grootste groep doet het prima zonder psycholoog. Er is echter een kleinere groep waarbij de inzet van een psycholoog een meerwaarde heeft. Bijvoorbeeld bij kinderen die vanwege hun astma problemen hebben op school, die moeite hebben om hun medicijnen elke dag te nemen, die bang zijn voor een volgende aanval of die op een andere manier belemmerd worden in hun dagelijks leven. Samen met die kinderen en hun ouders kijken we wat er precies aan de hand is en hoe we dat kunnen verbeteren.

Zijn er nog meer problemen?

Ja hoor, er zijn verschillende redenen waarom kinderen verwezen worden naar een psycholoog. Om een praktisch voorbeeld te noemen: heel kleine kinderen tot één jaar stribbelen vaak tegen als ze een kapje op hun gezicht krijgen om te vernevelen. Vaak zijn ze angstig omdat ze niet goed weten wat er precies gaat gebeuren. Samen met de ouders kijken we hoe we het vernevelen dan anders aan kunnen pakken, zodat het minder beangstigend is. Zo werkt het bij sommige kinderen goed om tijdens het vernevelen een leuke activiteit te doen (bijvoorbeeld door een liedje te zingen, een blokkentoren te maken of samen te tellen).

Zijn er nog andere problemen?

We zien ook kinderen die het moeilijk vinden om tegen andere kinderen te vertellen dat ze astma hebben en die het bijvoorbeeld vervelend vinden dat ze op school medicijnen moeten gebruiken. Sommige kinderen zijn verdrietig, somber, boos of trekken zich terug. Vaak zijn het ook de ouders zelf die zich zorgen maken en graag een keer met een psycholoog van gedachten willen wisselen.

We zien ook veel bezorgde ouders. Ze denken dat het kind vanwege het astma niet lekker in zijn vel zit of niet goed omgaat met vriendjes of vriendinnetjes. Dan gaan we kijken of het door het astma komt of dat er een andere oorzaak is en of we er iets aan kunnen doen.

Hoeveel procent komt bij een psycholoog?

Hier in het RAAcK zie ik ongeveer 20% van de kinderen met astma. We hebben een onderzoek gedaan naar de kwaliteit van leven van kinderen tussen de 6 en de 16 jaar met astma. De ouders geven aan dat ongeveer 25% psychosociale problemen heeft. Ongeveer 40% van de ouders geeft aan dat ze zich zorgen maken over de sociaal-emotionele ontwikkeling van hun kind. Als je naar de cijfers kijkt dan is de kans dus groot dat vele kinderen met astma en psychosociale problemen niet gezien worden door een psycholoog.

Dus veel kinderen lopen rond met onuitgesproken problemen?

Ja, ik denk van wel. Ik denk dat er heel verschillende problemen zijn en dat het lastig is om ze boven tafel te krijgen. De kinderarts heeft maar beperkt tijd en daarin moeten ook veel andere dingen besproken worden. Af en toe wordt gevraagd hoe het thuis gaat of op school, maar dat is niet het eerste waar ze naar vragen. Als ze daar meer tijd voor zouden hebben, komen er vast meer problemen naar boven. We zijn nu vanuit de afdeling Kinderpsychologie bezig om een methode te ontwikkelen waarbij alle kinderen in een vroeg stadium gescreend worden op mogelijke problemen.

Zie jij alle kinderen?

Nee, alleen kinderen die doorverwezen worden door de kinderarts. Omdat de kinderarts een hulpvraag heeft of omdat ouders of jongeren zelf een vraag hebben. In dat laatste geval moeten ze natuurlijk wel weten dat de mogelijkheid bestaat om met een kinderpsycholoog te praten.

Komen de problemen meteen naar boven of heb je meer sessies nodig?

Dat wisselt. De ene keer vertellen ze meteen wat er aan de hand is. De andere keer duurt het even voordat de kinderen je een beetje kennen en durven te vertellen waar ze mee zitten. In sommige gevallen is daar een psychologisch onderzoek voor nodig, waarbij we bijvoorbeeld kijken naar het intelligentieniveau van een kind of naar zijn belevingswereld.

Wat kun je als psycholoog doen voor ze?

Laatst was hier een meisje dat door de kinderarts verwezen werd omdat ze haar medicijnen niet elke dag nam. In het tweede gesprek kwamen we erachter dat zij bang was om de medicijnen te nemen omdat ze ergens gelezen had dat ze hier dik van kon worden. Pas toen we wisten hoe bij dit meisje de puzzel in elkaar zat, konden we gaan werken om haar gedachtes te veranderen. Toen ze eenmaal geloofde dat ze van deze medicijnen niet dik werd, was ze niet meer bang en was het innemen van de medicijnen geen probleem meer. Als psycholoog ben je dus vooral bezig met te achterhalen hoe het probleem precies in elkaar zit, want alleen dan kun je er iets aan doen.

Kun je nog een voorbeeld geven?

Ouders die vonden dat hun zoon van 12 zelf voor zijn medicijnen moest zorgen. Het kind was best vroeg in de puberteit en ging zich afzetten tegen zijn ouders. Tijdens de gesprekken kwamen we erachter dat deze jongen toch wat meer aandacht nodig had, ook op school. De ouders en kinderarts dachten dat hij dat zelf zou moeten kunnen, maar toch bleek dat dit kind wat meer sturing wilde van zijn ouders.

Heb je wel eens een behandeling op een ander spoor gebracht?

Er was laatst een jongentje van zes jaar met continue hoestklachten. Geen enkele medicatie hielp. De kinderarts hier kon ook niet echt iets vinden wat op astma duidde. De kinderarts heeft hem toen naar mij verwezen met de vraag of deze jongen een habituele hoest (gewoontehoest) had ontwikkeld. Je ziet dit wel eens bij kinderen die een infectie hebben meegemaakt waarbij ze veel moesten hoesten en die nadat de infectie weg is door blijven hoesten. Het hoesten is dan een gewoonte geworden. Terwijl de eerdere artsen medisch bleven kijken, zijn wij vanuit de gedragskant gaan zoeken. Binnen twee keer hadden we het hoesten afgeleerd en heeft hij niet meer gehoest.

Hoe deed je dat?

In dit voorbeeld zijn we gaan zoeken naar wat er voorafging aan de hoestprikkel en of we gedrag konden bedenken dat hij in plaats van het hoesten kon doen. Je vervangt dan het oude gedrag door nieuw gedrag. In zijn voorbeeld kwam dit uiteindelijk neer op het drinken van een slokje water telkens wanneer hij een kriebel op voelde komen. Hij heeft hiermee geleerd om de hoest te onderdrukken en de cirkel te doorbreken. Op die manier konden de luchtwegen zich herstellen. In de tweede week bleek de hoestprikkel al sterk verminderd en op het einde van die week hoestte hij helemaal niet meer.

Is er een verschil in problemen bij verschillende leeftijdsgroepen?

Problemen met therapietrouw zie je in de brugklasperiode veel, maar ook bij heel jonge kinderen, de kleintjes die zich verzetten tegen de inhalatieapparatuur. Het is een heel andere reden, maar wel in hetzelfde straatje. Verder kunnen sociaal-emotionele problemen in alle leeftijdsgroepen voorkomen, al uiten deze zich in elke leeftijdsfase anders.

Hebben pubers nog ander problemen dan therapietrouw?

In deze groep komen ook veel schoolproblemen voor. Er is wel eens gedacht dat kinderen met astma meer concentratieproblemen hebben en vaker ADHD, maar die onderzoeken spreken elkaar tegen. Ik denk zelf dat het te maken heeft met het feit dat kinderen en jongeren met astma ’s nachts soms niet goed slapen. Ze zijn dan ’s morgens niet uitgerust en hebben daardoor moeite om bij de les te blijven. En dan is er ook nog een groep die vaak naar het ziekenhuis moet. Ik denk dat als je minder lekker in je vel zit, het meer moeite kost om op te letten. Dan kunnen ook de schoolprestaties achteruitgaan.

Is dat significant voor astma?

Ik heb dat niet in onderzoeken gezien. Dat zijn meer bevindingen vanuit de praktijk bij een kleine groep kinderen, wiens astma niet goed onder controle is. Uit onderzoeken blijkt dat kinderen met astma het op school net zo goed doen als andere kinderen.

Komt schoolverzuim veel voor?

In de hele grote groep valt het relatief wel mee. Maar laatst zagen we hier een meisje dat minder dan de helft van de tijd naar school ging. Met de kanttekening dat het hier wel om moeilijk behandelbaar astma gaat.

Welke behandeling doen jullie?

Vooral cognitieve gedragstherapie, waarbij we niet alleen met het gedrag aan de slag gaan, maar ook met de gedachten daaromheen. De oplossingsgerichte kant spreekt mij het meest aan. Samen met de patiënt zoeken we naar oplossingen. Je zit niet alleen als professional aan de andere kant van de tafel en geeft adviezen. Je krijgt soms tips waar je zelf niet aan gedacht hebt. Als patiënten iets zelf bedacht hebben, werkt het ook tien keer beter dan dat ik het vertel.

Zo was er een kind dat alles vergat, maar overdag vaak op zijn mobiel keek of hij een sms had. Hij bedacht zelf om een herinnering in zijn telefoon te zetten om de medicatie te nemen. Dat werkt dus vaak beter.

Krijg je wel eens vragen over roken?

Dat is een onderwerp waar ik meer mee bezig zou moeten zijn. Uit alle onderzoeken blijkt dat jongeren met astma net zo stevig roken als anderen. Wij besteden hier denk ik nog te weinig tijd aan. Waar we wel veel in aanraking mee komen zijn ouders die blijven roken ook als blijkt dat hun kind astma heeft. Samen met de ouders kijk ik dan hoe we dat gedrag kunnen stoppen.

Waar zitten ouders vaak mee?

Dat is heel breed. Veel ouders hebben vragen over de opvoeding, maar ook of bijvoorbeeld de problemen van hun kind wel of niet samenhangen met het astma. Sommige ouders willen vooral praktische adviezen en anderen willen vooral hun verhaal kwijt. Soms verloopt de communicatie tussen ouders en de verschillende hulpverleners wat stroef en dan probeer je daar als psycholoog verandering in aan te brengen.

Je hoort ook dat kinderen met astma vaak last hebben van hyperventilatie?

Dat komt vrij veel voor, vooral bij meisjes. Samen met de fysiotherapeut kijken we wat er precies gebeurt. Ik kijk mee op het psychosociale vlak. Kinderen die extreem angstig zijn voor een aanval kunnen al bij voorbaat hoger gaan ademhalen. Zo krijg je een cirkel die in stand gehouden wordt. Daar gaan we mee aan de slag.

Maar andersom zie je ook dat je door een astma-aanval anders gaat ademhalen. Als je op dat moment leert om rustig te blijven en je ademhaling onder controle te krijgen, is die aanval ook sneller voorbij.

Interviews