Veelgestelde vraag
Hoe wordt trombose behandeld?

Als je trombose hebt, krijg je antistollingsmiddelen (anticoagulantia), ook wel bloedverdunners genoemd. Bloedverdunners zorgen ervoor dat je bloed minder snel stolt. Het stolsel wordt dan niet groter en het stolsel of een deel ervan kan niet loskomen en een embolie veroorzaken. Bloedverdunners lossen het bloedstolsel zelf niet op, maar geven je lichaam meer tijd om het stolsel op te ruimen.

Als je bloed minder snel stolt dan normaal, heb je meer kans op bloedingen. Bijvoorbeeld als je je stoot of verwondt. Het is daarom belangrijk dat je de juiste hoeveelheid bloedverdunners krijgt.

Er worden verschillende bloedverdunners gebruikt bij kinderen, zoals heparine, directe orale anticoagulantia (DOACs) en vitamine K-antagonisten (VKAs) oftewel (ccoumarines).
De behandeling van trombose start in het ziekenhuis, je krijgt dan heparine. Na ongeveer 1 week krijg je een drankje of pillen van DOACs. Niet alle kinderen kunnen behandeld worden met een DOAC. Jonge baby’s krijgen meestal alleen maar heparine voor langere tijd. Als je nieren niet goed werken, of je hebt een kunsthartklep, dan schrijft je arts je coumarines voor.

De behandeling duurt ongeveer drie maanden. Als je een antitrombine-, proteïne C- of proteïne S- deficiëntie hebt of vaker dan één keer trombose hebt gehad, is het verstandig de medicijnen langere tijd te gebruiken. Hoelang en hoeveel bloedverdunners je nodig hebt, bespreek je met je kinderarts/hematoloog.

Als je duidelijk meer kans hebt op trombose, krijg je soms tijdelijk bloedverdunners om het risico te verkleinen. Bijvoorbeeld als je als meisje trombose hebt gehad en zwanger bent. Je krijgt dan profylaxe.

Ook interessant