Veelgestelde vraag
Wat kan in het bloed worden onderzocht?

Je kunt onderzoek doen naar de hoeveelheid stoffen in je bloed, is er precies genoeg of is er juist te veel of te weinig. Bij een hersentumor klopt soms de hoeveelheid van bepaalde stoffen niet, bijvoorbeeld als de tumor in het gebied van de hypofyse zit, kan de hoeveelheid hormonen veranderen. De hypofyse maakt namelijk allerlei hormonen aan, zoals het schildklierstimulerende hormoon (TSH), ook zorgt de hypofyse voor een goede zout- en vochtverhouding in je lichaam.

In je bloed kunnen verschillende stoffen worden onderzocht;

  • Hormonen, zoals FT4, TSH, ACTH, cortisol, IGF-1, FSH, LH, oestradiol, testosteron en prolactine.
    • TSH: het thyroïdstimulerend hormoon stimuleert je schildklier tot aanmaak van schildklierhormoon (T4 en T3).
      Het schildklierhormoon werkt op de stofwisseling van andere cellen en organen en regelt onder andere je energieverbruik, groei en ontwikkeling.
    • ACTH: het adrenocorticotroop hormoon stimuleert je bijnieren om het stresshormoon cortisol aan te maken.

      Cortisol doet heel veel, het heeft een ontstekingsremmende werking en helpt bij de vertering van voedsel en je slaap-waakritme. Misschien wel het belangrijkst is dat cortisol ervoor zorgt dat je lichaam goed kan omgaan met stress. Cortisol zorgt ervoor dat je bij lichamelijke stress genoeg energie (suikers en eiwitten) krijgt waardoor je lichaamsfuncties het goed blijven doen (zoals je bloeddruk op peil houden). Lichamelijke stress kun je o.a. krijgen door ziekte, koorts, een ingreep of een ongeluk.
    • GH: groeihormoon of somatotropine stimuleert de aanmaak van IGF-1 (insulin-like growth factor). GH en IGF-1 stimuleren de groeischrijven van de lange pijpbeenderen.
      Overige effecten GH: het stimuleert de aanmaak van eiwitten, verhoogt de vetafbraak, is de tegenhanger van insuline en beïnvloedt de fosfaat-, water- en zouthuishouding.
      IGF-1 stimuleert de opbouw van je spieren en botten, verhoogt de vetafbraak, regelt de waterhuishouding en zorgt ervoor dat je hart goed werkt.
    • LH: luteïniserend hormoon zorgt er bij meisjes voor dat de eierstokken oestrogeen en progesteron aanmaken. Daarnaast zorgt LH voor de eisprong.
      Oestrogeen is belangrijk voor je ontwikkeling in de puberteit. Het zorgt ervoor dat je baarmoeder, vagina en borsten groeien. Het speelt ook een belangrijke rol bij de botopbouw en zorgt voor het sluiten van de groeischijven. Progesteron heeft effect op het baarmoederslijmvlies (belangrijk bij de innesteling van een bevruchte eicel).
      Bij jongens stimuleert LH de teelballen om testosteron aan te maken.
      Testosteron regelt heel veel, het zorgt o.a. voor het zwaarder worden van je stem, voor lichaamsbeharing en baardgroei, de groei van je penis, de ontwikkeling van de prostaat, groei van je skeletspieren en toename van de talgproductie.
    • FSH: follikelstimulerend hormoon stimuleert bij meisjes de eierstokken om oestrogeen en progesteron aan te maken. Daarnaast zorgt FSH voor rijping van de eicel.
      FSH stimuleert bij jongens de aanmaak en rijping van zaadcellen. Daarnaast stimuleert het de teelballen om testosteron aan te maken.
    • PRL: prolactine heb je nodig om borstvoeding te kunnen geven, het zorgt voor de aanmaak van moedermelk. Ook zorgt het ervoor dat er geen eisprong kan plaatsvinden. PRL wordt aangemaakt in de hypothalamus en opgeslagen in de hypofyse.
    • ADH: antidiuretisch hormoon of vasopressine zorgt ervoor dat je niet te veel of te weinig vocht uitplast en regelt zo het vocht- en zoutevenwicht in je lichaam.
    • Oxytocine speelt een rol bij de bevalling, het zorgt ervoor dat de spieren in de baarmoeder zich samentrekken. Na de bevalling zorgt het ervoor dat de melk toeschiet bij de borstvoeding. Ook zorgt het voor het samentrekken van de melkgangen in de borstklieren.
  • Functietest; een functietest laat zien of een klier zijn werk goed doet. Je kunt bijvoorbeeld zien of een hormoon-as (cyberpoli craniofaryngeoom[LW2] ) goed werkt of niet en waar het probleem zit, in de hypofyse of ergens anders. Door een hypofyse-stimulerend hormoon toe te dienen wordt de hypofyse aangezet om een hypofysehormoon aan te maken, dat op zijn beurt weer een ander orgaan of een andere klier aanzet om hormoon aan te maken. Voorbeelden:
    • Bij een groeihormoonstimulatietest (met arginine of clonidine) wordt de hypofyse aangezet om groeihormoon aan te maken, als dit onvoldoende gebeurt, dan werkt de hypofyse niet goed.
    • Het ‘los’ meten van cortisol is soms niet voldoende. Door de bijnier te stimuleren met bijvoorbeeld ACTH worden de bijnieren aangezet tot de aanmaak van cortisol. Doen de bijnieren dat goed genoeg, dan is er minder kans op een ACTH-probleem.
  • Zouten (elektrolyten zoals natrium, kalium, chloor) en bloedsuiker (glucose) controleren om de zout- en glucosehuishouding te beoordelen. Het bloed kan het beste in de ochtend worden afgenomen, dan is de uitslag het betrouwbaarst.
  • Om te zien of je lever goed werkt, kan een leverfunctietest worden gedaan. De stoffen ALAT (alanine aminotransferase), ASAT (aspartaat aminotransferase), AF (alkalisch fosfatase) en g-GT (gamma- glutamyl transferase) worden dan in je bloed bepaald, net als bilirubine (een stofje waardoor je huid en oogwit geel kunnen worden).
  • Om te zien of je nieren goed werken, kan een nierfunctietest worden gedaan. De hoeveelheid ureum en kreatinine in je bloed wordt dan bepaald. Ook de hoeveelheid zouten in je bloed is van belang. Je urine kan ook op deze stoffen worden gecontroleerd.

Ook interessant