Veelgestelde vraag: Via welke soorten infusen kun je bloed toedienen?

Enkele voorbeelden van mogelijke infusen:
Perifeer infuus: dit is een klein flexibel plastic buisje dat om een naald vast zit. Als met de naald het vat goed is aangeprikt kan het buisje over de naald worden afgeschoven waardoor het in het vat zit. De naald wordt vervolgens verwijderd en een infuus kan worden aangesloten. Het ingebrachte infuus moet goed afgeplakt worden en een hand, armpje of voet wordt vaak gespalkt.

Centrale lijn: dit is een groter, flexibel buisje dat van siliconen is gemaakt. Het wordt bij kinderen doorgaans onder narcose ingebracht in een groot bloedvat onder het sleutelbeen. De lijn wordt vastgehecht en getunneld onder de huid gelegd waarna het naar buiten loopt, hierdoor zit het goed vast. Doordat de lijn een langdurige directe verbinding met je bloed vormt bestaat er een risico op infectie. Het aan- en afsluiten moet heel zorgvuldig en hygiënisch gebeuren, waardoor dit risico zo veel mogelijk wordt beperkt.

Port-a-cath: dit is een klein kastje dat onder narcose onder de huid wordt geplaatst. Aan het kastje zit een lijn vast die in een groot bloedvat wordt ingebracht. Het kastje zelf komt op de borstkas vlak onder de huid te liggen. Op de bovenkant van het kastje zit een membraan (soort vel) waardoor een naald te prikken is. Hierdoor kan van buitenaf, door de huid heen, het kastje direct worden aangeprikt, waardoor een verbinding ontstaat tussen de naald en het vat, via het kastje en de lijn. Ook hier geldt weer dat er risico bestaat op infectie door de continue directe verbinding met het bloed. Het aan- en afsluiten moet heel zorgvuldig en hygiënisch gebeuren, waardoor dit risico zo veel mogelijk wordt beperkt.