Medisch: Beeldvorming van de nier en andere diagnostiek

In dit hoofdstuk beschrijven we op welke manieren je je nieren in beeld kunt krijgen, en welke andere nieronderzoeken er zijn.

Beeldvorming: Andere onderzoeken:

12.1. Beeldvorming

Een beeld krijgen van de nieren kan met echografie, röntgenfoto’s, CT- en MRI-scans, nucleair onderzoek en contrastonderzoek. Omdat echografie het minst schadelijk is, wordt dit het meest gebruikt. Een overzicht van de mogelijkheden.

Echografie

Voor een echografie worden geluidsgolven met een heel hoge frequentie door een echoapparaat in je lichaam gebracht. Dit apparaat wordt tegen de huid aangehouden die eerst met gel is ingesmeerd voor een betere geleiding. De geluidsgolven verplaatsen zich door het lichaam en worden door de organen en andere structuren teruggekaatst. De verschillende weefsels kaatsen de golven op een andere manier terug. Zo kan er een beeld van je nieren gevormd worden. Een niersteen ziet er wit uit en een cyste waar vocht in zit is zwart. Je nieren zelf zien er korrelig grijs uit. Omdat de omtrek van je nieren goed te zien is, kan gemeten worden hoe groot ze zijn. Het binnenste van je nieren is ook te zien. Bij de echo letten we op de verhouding tussen cortex (schors) en medulla (merg) van je nieren en kijken we of de kelken waarin urine wordt opgevangen er slank uitzien. Ook kijken we naar de afvoerlijders (ureteren) en de blaas. Je kunt met echografie de volgende afwijkingen opsporen.
  • Afwijkingen aan de bouw van je nieren zoals:
    • een hoefijzernier, waarbij de beide nieren aan elkaar vast zitten;
    • een dubbelsysteem, waarbij er twee urineleiders en twee nierbekkens bij één nier worden gevonden;
    • een mononier, waarbij er maar één nier is aangelegd bij de geboorte;
    • hydronefrose, opzwellen van de nier door ophoping van urine. Het nierbekken en de opvangkelken in je nieren verwijden zich doordat de urine niet goed kan weglopen door een vernauwing op de overgang van het nierbekken naar de urineleider (UPJstenose), of door vesico-ureterale reflux (teruglopen van urine uit de blaas naar de nier, omdat de urine via de ureter (nierleider) niet goed kan aflopen naar de blaas);
    • cystenieren, een erfelijke aandoening, waarbij de cysten als een soort druiventros in je nier zitten.
  • Tumoren in de nieren, zoals Wilmstumor of nefroblastoom.
  • Nierstenen en verkalkingen, zien eruit als een wit bolletje met een schaduw erachter omdat het geluid er niet doorheen kan; door de verkalkingen zien je nieren er veel witter uit dan de grijze kleur die ze normaal hebben.
  • Bloeding in je nier, bijvoorbeeld na een ongeluk.
  • Ontstekingen door infecties van een bacterie of schimmel.

Mictiecystogram

Tijdens het plassen wordt een plaatje gemaakt van je blaas. Met een katheter wordt via de urethra (plasbuis) een contrastvloeistof in je blaas gebracht. Een soort kleurstof die op röntgenfoto’s er wit uitziet. Als je de contrastvloeistof dan weer uitplast, wordt er tijdens het plassen een aantal röntgenfoto’s gemaakt. Daarop kun je zien of je de urine uitplast zoals het hoort, of dat er ook urine naar boven in de richting van je nieren terugloopt, zogenaamde reflux. Dat krijg je als je ureters (urineleiders) niet op de juiste manier in je blaas uitmonden. Reflux kan leiden tot nierbekkenontsteking.

Nucleaire geneeskunde: renografie

Met renografie met MAG-3 (een chemisch stofje) kun je de functie van beide nieren en de afvloed ervan beoordelen. Met DMSA-scan (een chemisch stofje) kun je de functie van beide nieren en de aanwezige littekens bepalen, maar niet de afvloed van urine. Via een infuus krijg je een radioactief stofje ingespoten dat na ongeveer twee uur door je nieren wordt uitgescheiden. Via een speciale camera kun je op de computer zien hoeveel van dit stofje in je nieren terechtkomt, of er overal evenveel wordt opgenomen of dat er plaatsen zijn waar het niet komt. Als je het stofje op een bepaalde plek niet ziet, betekent dat dat je een litteken in je nier hebt. Dat onderdeel van je nier werkt dus niet. Zo kun je zien hoe goed de functie van je linker- en die van je rechternier is. En of een van je nieren minder goed werkt en of dit verder moet worden onderzocht.

CT-scan

Als je een CT-scan krijgt, worden er met een ringvormig apparaat röntgenfoto’s rondom je lichaam gemaakt. Zo kunnen ze je nieren van meerdere kanten bekijken, ook vanbinnen. Dit kan handig zijn als er bloed in je urine zit, en er op de echo niet te zien is waar dat vandaan komt. Dit onderzoek wordt niet vaak gebruikt omdat er veel röntgenstraling voor nodig is, wat schadelijk kan zijn.

MRI-scan en MRU-scan

MRI (magnetic resonance imaging) maakt gebruik van magnetische straling en is niet schadelijk. Bij MRU (magnetic resonance urography) wordt ook contraststof of kleurstof gebruikt. Dit onderzoek geeft dezelfde soort plaatjes als de CT-scan maar het kost meer tijd om ze te maken, en je moet er heel stil voor kunnen liggen. Bij aangeboren afwijkingen aan de nieren of tumoren wordt MRI soms gebruikt voor een betere afbeelding.

Overzicht van methoden voor beeldvorming van de nieren

BeeldvormingGeschikt voorVoordeelNadeel
EchografieAnatomische en aangeboren afwijkingen zoals UPJ-stenose, dubbelsysteem, hoefijzernier

Stuwing (hydronefrose)

Tumor

Nierstenen en nefrocalcinose

Bloeding

Abces door infectie (bacterie of schimmel)
Snel te organiseren/geen voorbereiding nodig

Geen schadelijke röntgenstraling

Nauwkeurig beeld bij kinderen vanwege weinig verstorend buikvet
Dynamisch onderzoek: interpretatie het best mogelijk tijdens de uitvoering
MictiecystogramRefluxuropathieNauwkeurige afbeelding van de richting van de stroom urineKatheter (invasief)

Röntgenstraling
RenografieGedeelten van verminderde werking aantonen (littekens)Nauwkeurige afbeelding van de functionaliteit van de linker- vs. de rechternierRadioactieve straling

Infuus
CT-scanAnatomische afwijkingen of tumor

Abces
Afbeeldingen ook na afloop goed te interpreterenVeel röntgenstraling
MRIAnatomische afwijkingen of tumor

Abces
Afbeeldingen ook na afloop goed te interpreteren

Geen röntgenstraling
Lang stil liggen

B. Andere onderzoeken van de nier

Andere onderzoeken worden gebruikt om naar de functie van de glomerulus en de niertubulus te kijken. Bijvoorbeeld bloed- en urineonderzoek. Je kunt ook het zoutgehalte en de zuurgraad onderzoeken om te weten hoe goed je nieren werken. En als je wilt weten of je nieren zijn aangetast, kun je een nierbiopt laten nemen. Dan wordt er met een naald een heel klein stukje uit je nier gehaald dat wordt onderzocht door de patholoog.

Glomerulaire filtratiesnelheid: GFR

Met de glomerulaire filtratiesnelheid wordt de standaardwerking van de nieren gemeten. Hiervoor wordt de hoeveelheid van een bepaald stofje in je bloed bepaald: kreatinine. Je nieren zorgen ervoor dat dit stofje uit je lichaam geplast wordt. Dit wordt ook wel genoemd de ‘klaring’ van de kreatinine door de nieren. Hoe lager het gehalte kreatinine, hoe beter de nier werkt. Voor kinderen wordt de formule van Schwartz gebruikt: GFR = 40 keer lengte (in centimeters) gedeeld door het kreatininegehalte.

Concentreren van urine

Om te onderzoeken hoe goed je nieren urine concentreren, kan de osmolaliteit van de urine in het laboratorium worden bepaald.

Dipstickonderzoek: eiwit en bloed in urine

Als je nieren ziek zijn, dan laten de filters vaak eiwit of sporen van bloed door. Dat kun je testen met een dipstick, een plastic stripje met een aantal kleine kussentjes die verkleuren als er eiwit of bloed in je urine zit. Je kunt ook zien of er witte bloedcellen (dat kan wijzen op een pyelonefritis) of nitriet in de urine zitten. Dat laatste kan gebeuren als je bacteriën in je urine hebt.

Hematurie: bloed in de urine

Soms kun je zien dat er bloed in je urine zit, maar soms ook niet, dan kun je het alleen met een dipstick ontdekken. Bloed in de urine kan komen door een beschadiging van je nier, ureter, blaas of plasbuis. Bijvoorbeeld door een niersteen, een infectie van je nieren of blaas, als bijwerking van een medicijn of, heel zelden, door een tumor. Ook kan het komen door een ontsteking in je glomerulus (glomerulonefritis). Dan zien je rodebloedcellen in de urine er anders uit onder de microscoop.

Zuurgraad

De tubuli van je nieren regelen de zuurgraad van je urine. De proximale tubulus houdt bicarbonaat vast, waardoor de urine niet te zuur wordt. Als de proximale tubulus niet werkt, wordt bicarbonaat doorgelaten en wordt de zuurgraad (pH) van je urine hoger. We spreken dan van alkalische urine. In het bloed is de zuurgraad (pH) dan juist lager. Dit is het geval als je de ziekte proximale renale tubulaire acidose hebt. De distale tubulus kan ammoniak [a(een zuur) uitscheiden in de urine. Als je urine niet zuur genoeg is (alkalisch), heb je een probleem in je distale tubulus. Bijvoorbeeld bij distale renale tubulaire acidose of bij nierinsufficiëntie.
Bij diarree gaat veel bicarbonaat verloren in de ontlasting, de zuurgraad (pH) in het bloed wordt dan lager, maar in de urine juist hoger (alkalisch).

Urinekweek

Als je een urineweginfectie hebt, kun je een kweek maken om te zien wat voor bacteriën er in de urine zitten. Je kunt dan ook zien welke antibiotica werken.

Nierbiopsie

Met de meeste van deze onderzoeken kunnen we bepalen wat voor nierziekte je hebt en welke behandeling nodig is. Soms is een biopt van je nieren nodig, vooral als de oorzaak van nierinsufficiëntie niet duidelijk is. Ook als je zowel bloed als eiwit in je urine hebt, kan een nierbiopt nodig zijn, vooral als je last hebt van hoge bloeddruk of nierinsufficiëntie.

Medische informatie