Soms komen klachten pas later aan het licht
Marieke Joosten is klinisch geneticus in het Erasmus MC locatie Sophia Kinderziekenhuis.
Wat doe je als klinisch geneticus?
Ik ben medisch specialist en informeer mensen over erfelijke ziektes, zoals hemofilie of de ziekte van Von Willebrand. Mocht er voor de eerste keer in een familie een kind met de ziekte van Von Willebrand worden ontdekt, we noemen dat de indexpatiënt, dan zal de kinderhematoloog zich concentreren op alles wat de begeleiding en behandeling van zo'n kind betreft als bijvoorbeeld stolling en profylaxe. De klinisch geneticus zal proberen de familie in kaart te brengen. Daartoe doen we eerst DNA-onderzoek bij de patiënt, en later vaak ook bij de familie van een patiënt, om te kijken wie er nog meer de ziekte van Von Willebrand hemofilie zou kunnen hebben.
Waarom is het zo belangrijk te weten of iemand de aanleg voor Von Willebrand heeft?
Niet altijd heeft iemand met de genetische aanleg voor de ziekte van Von Willebrand al klachten gehad. Dit kan wel gebeuren als er een uitlokkende factor is, zoals een operatie of een ongeluk. Daarnaast heeft het soms ook gevolgen voor beleid bij een bevalling. Als we weten dat het kind type 2 of 3 van de ziekte van Von Willebrand heeft of een verhoogde kans daarop heeft, gebruikt de gynaecoloog bij de geboorte bijvoorbeeld liever geen vacuümpomp. Dat kan tot ernstige bloedingen leiden.
Hoe zit het bij de overerving van de Von Willebrandziekte?
De Von Willebrandziekte erft meestal autosomaal dominant over, en soms autosomaal recessief. Dat is afhankelijk van het type. Autosomaal betekent dat het niets te maken heeft met man of vrouw zijn. Dominant betekent dat er 50% kans is dat je de aanleg doorgeeft aan je kind. Recessief betekent dat je van beide ouders de aanleg geërfd hebt. Je ouders zijn dan allebei drager en hebben geen verschijnselen van de aandoening.
Hoe zit dat bij type 1?
Von Willebrand type 1 komt het meest voor, die overerving is autosomaal dominant. Van alle erfelijke eigenschappen heb je er twee. Dat betekent dat als je in een van je twee Von Willebrand-genen een fout hebt, deze fout de andere genkopie overheerst. De andere genkopie is normaal, maar desondanks heb je de ziekte. De normale genkopie compenseert dus niet voor de abnormale. Dit betekent dat als iemand Von Willebrand type 1 heeft, deze persoon of de foute genkopie doorgeeft of de normale. Zijn of haar kinderen hebben dus 50% kans om de aanleg door te geven.
En type 2?
Von Willebrand type 2 erft meestal ook autosomaal dominant over. Type 2 geeft een veel ernstiger beeld dan type 1. Bij beide types heb je dus 50% kans dat een kind de aanleg geërfd heeft, en het zal ook altijd de kenmerken vertonen. Bij type 1 is de uiting van de kenmerken overigens zeer variabel, dus je kunt een ouder hebben die er forse klachten van heeft, maar het kind kan wel de aanleg hebben maar nauwelijks klachten. Dat noemen we genotype-fenotypecorrelatie, waarbij het genotype vooral bepaalt wat er in je genen zit en het fenotype hoe de genen zich naar buiten tonen. Die correlatie is bij type 2 overigens veel directer, daar heb je niet zulke verschillen als bij type 1.
Hoe zit het met type N?
Die erft autosomaal recessief over, net als type 3 Von Willebrand. Dat betekent dat je nog steeds die twee Von Willebrand-genkopieën hebt, maar nu moet je in beide genenkopieën de mutatie hebben voordat de ziekte tot uiting komt. Dat betekent dat je drager kunt zijn, maar dat merk je niet want dan heb je in een van je Von Willebrand-genen een fout en in de andere niet. Dan is de fout ondergeschikt, recessief aan de andere. Dragerschap van recessieve aandoeningen is zeldzaam. Als een vrouw Von Willebrand type 2N of type 3 heeft, is het voor haar eigen gezondheid belangrijk om in een hemofiliebehandelcentrum onder controle te zijn voor de zwangerschap. Als zij een partner heeft die geen bloedverwant van haar is, is de kans op dragerschap laag. Niet uitgesloten. Je kunt dat wel onderzoeken. Is de partner geen drager, dan betekent dat de vrouw altijd de aanleg voor Von Willebrand zal doorgeven. De man geeft dan een normale aanleg door dus alle kinderen zijn drager, zonder dat ze daar klachten van hebben.
Wordt er tijdens de zwangerschap al onderzoek gedaan bij het kind?
Ja, dat is mogelijk. Dat kan in de eerste helft van de zwangerschap, of in het laatste deel. Zo'n late vruchtwaterpunctie gebeurt ter voorbereiding op de bevalling. Als het kind een verhoogde kans heeft op een van de ernstige vormen van de ziekte van Von Willebrand of op hemofilie, dan doen we tussen 32 en 34 weken zwangerschapsduur een vruchtwaterpunctie zodat we weten of het nog ongeboren kind de ziekte heeft of niet. Met die termijn van 32 tot 34 weken heeft het laboratorium voldoende tijd om het onderzoek goed te verrichten. Als het kind dan de ziekte niet heeft, betekent dat dat je een normale bevalling kunt doen. Als de bevalling niet vlot loopt, kun je hulp inroepen van een vacuümpomp. Weet je zeker dat het kind hemofilie heeft of Von Willebrandziekte, dan wordt dat sterk afgeraden. Als dan de bevalling niet vlot, dan dient de gynaecoloog een keizersnede te overwegen, wat overigens voor de moeder wel meer risico kan inhouden.