Behandeling

Als je trombose hebt, krijg je antistollingsmiddelen (anticoagulantia), ook wel bloedverdunners genoemd. Bloedverdunners zorgen ervoor dat je bloed minder snel stolt. Het stolsel wordt dan niet groter en het stolsel of een deel ervan kan niet loskomen en een embolie veroorzaken. Bloedverdunners lossen het bloedstolsel zelf niet op, maar geven je lichaam meer tijd om het stolsel op te ruimen.

Er worden verschillende bloedverdunners gebruikt bij kinderen, zoals heparine, DOAC’s (directe orale anticoagulantia) en vitamine K-antagonisten, coumarines.

De behandeling van trombose start in het ziekenhuis, je krijgt dan heparine. Na ongeveer 1 week krijg je een drankje of pillen van DOACs. Niet alle kinderen kunnen behandeld worden met een DOAC. Jonge baby’s krijgen meestal alleen maar heparine voor langere tijd. Als je nieren niet goed werken, of je hebt een een kunsthartklep, dan schrijft je arts je waarschijnlijk vitamine K-antagonisten (VKA’s) oftewel coumarines voor. Verderop lees je daar meer over.

De behandeling duurt ongeveer drie maanden. Als je een antitrombine-, proteïne C- of proteïne S- deficiëntie hebt of vaker dan één keer trombose hebt gehad, is het verstandig de medicijnen langere tijd te gebruiken. Hoelang en hoeveel bloedverdunners je nodig hebt, bespreek je met je kinderarts/hematoloog.

Als je duidelijk meer kans hebt op trombose, krijg je soms tijdelijk bloedverdunners om het risico te verkleinen. Bijvoorbeeld als je als meisje trombose hebt gehad en zwanger bent. Je krijgt dan profylaxe.

Je kunt meer lezen over de behandeling van trombose in het interview met Heleen van Ommen, kinderhematoloog in het Erasmus MC-Sophia kinderziekenhuis.

Heparine

Er bestaan twee soorten heparine. Kinderen beginnen meestal met een injectie laagmoleculairgewicht heparine (LMWH). Dit wordt ingespoten met een dunne naald onder de huid (subcutaan), meestal in de buik. Je krijgt minimaal vijf dagen heparine. Er bestaat ook ongefractioneerde heparine. Dat krijg je via een infuus direct in je bloedbaan.

Heparine versterkt de werking van antitrombine. Antitrombine remt de stolling vooral door trombine (Factor IIa (2a)) en Factor Xa (10a) te binden.

Ongefractioneerde heparine

Ongefractioneerde heparine bestaat uit is wisselend. Het bestaat uit suikerketens van verschillende lengte, maar vooral uit lange suikerketens die goed binden aan antitrombine. Het remt trombine en Factor Xa even goed. De samenstelling verschilt, waardoor de werking soms minder voorspelbaar is. Het werkt snel en kort, en moet daarom continu via een infuus gegeven worden. Je bloed wordt elke dag minstens één keer gecontroleerd om te zien of de medicijnen goed werken.

Laagmoleculairgewicht heparine; LHWH

LMWH bestaat uit minder verschillende en kortere suikerketens die binden aan antitrombine. Het remt vooral Factor Xa en de werking is heel voorspelbaar. Daarom hoeft je bloed meestal maar één keer gecontroleerd te worden om te zien of het goed werkt. LMWH heeft minder kans op bijwerkingen, zoals bloedingen dan ongefractioneerde heparine. LMWH werkt snel en blijft twaalf tot vierentwintig uur werkzaam. Het wordt onder je huid gespoten.

Trombolytica (stolseloplossers)

Er zijn ook medicijnen die het stolsel actief oplossen. Trombolytica worden gebruikt in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een verstopping van een bloedvat levensbedreigend is of als een arm, been of orgaan gevaar loopt. Trombolytica zorgen dat de fibrinedraden die een stolsel sterk maken doorgeknipt worden.

Heel soms wordt een stolsel operatief verwijderd. Dit noem je een trombectomie. Maar dat doen we liever niet, omdat bij een operatie ook schade aan het bloedvat ontstaat.

Vervolgbehandeling

Directe orale anticoagulantia (DOAC’s)

Meestal bestaat de vervolgbehandeling uit een DOAC.

DOAC’s zijn makkelijk in gebruik. Ze werken snel, zijn twaalf tot vierentwintig uur werkzaam en worden niet beïnvloed door wat je eet. Je neemt elke dag dezelfde hoeveelheid medicijnen en je bloed hoeft meestal niet steeds gecontroleerd te worden.

In tegenstelling tot vitamine K-antagonisten remmen DOACs niet de aanmaak van meerdere stollingseiwitten. Een DOAC remt één specifiek stollingseiwit.

Er zijn twee soorten DOAC’s:
• trombineremmers (Factor IIa -remmers), zoals dabigatran (Praxada®);
• Factor Xa-remmers, zoals apixaban (Eliquis®), edoxaban (Lixiana®) en rivaroxaban (Xarelto®).

• Voor de behandeling van trombose bij kinderen kunnen dabigatran, rivaroxaban en apixaban gebruikt worden. Rivaroxaban is er ook als drank, wat handig is voor kinderen die geen tabletten kunnen slikken.

Let op
Je kunt geen DOAC’s gebruiken als je:
- een slechte nierfunctie hebt
- een ernstige leverziekte hebt,
- een antifosfolipiden syndroom hebt,
- of kunstkleppen in je hart hebt.

Laagmoleculairgewicht heparine LMWH

Jonge baby’s en bijvoorbeeld kinderen die behandeld worden voor bloedkanker, krijgen meestal LMWH als vervolgbehandeling. Je kunt makkelijk stoppen met LMWH als een ingreep nodig is.

Vitamine K-antagonisten (coumarines)

Als je geen DOAC kunt gebruiken en je wilt geen prikken meer onder de huid, dan kun je naast de heparine starten met vitamine K-antagonisten, coumarines. Deze medicijnen krijg je als druppels of pilletjes. Het duurt een paar dagen voordat deze medicijnen goed werken. Daarom heb je in het begin heparine en vitamine K antagonisten tegelijk nodig, totdat de vitamine K antagonisten voldoende werken.

In Nederland zijn twee vitamine K-antagonisten beschikbaar: acenocoumarol (Sintrom®) en fenprocoumon (Marcoumar®).

Als je vitamine K-antagonisten slikt, maakt je lichaam minder stollingsfactoren aan. Daardoor stolt je bloed minder snel. Je lever heeft vitamine K nodig om bepaalde stollingsfactoren te maken, namelijk Factor II (protrombine), Factor VII (7), Factor IX (9) en Factor X (10). Vitamine K-antagonisten werken vitamine K tegen. Ze kunnen de plek innemen van vitamine K, maar ze helpen niet mee om stollingsfactoren te maken. Daardoor maakt je lichaam minder stollingsfactoren aan en wordt je bloed dunner.

Vitamine K krijg je binnen via je eten. Het zit vooral in groene groenten en koolsoorten, zoals sla, bloemkool, broccoli en spinazie. Hoe meer je deze eet, hoe meer coumarines (vitamine K-antagonisten) je nodig hebt. Het is daarom belangrijk om gevarieerd te eten. De werking van vitamine K antagonisten kan beïnvloed worden door andere medicijnen. Pijnstillers zoals aspirine, diclofenac en ibuprofen verhogen de kans op een bloeding, die kun je daarom beter niet gebruiken.

Trombosedienst

Hoeveel vitamine K antagonisten je nodig hebt, kan heel erg verschillen. Daarom moet je bloed regelmatig gecontroleerd worden. Hierbij kijkt men of de stollingstijd goed is. Die waarde heet de INR. Stolt je bloed te snel, dan is de INR laag en heb je meer vitamine K antagonisten nodig. Stolt je bloed te langzaam, dan is de INR te hoog en krijg je wat minder vitamine K antagonisten.
Als je thuis vitamine K antagonisten gebruikt, wordt je bloed gecontroleerd door de trombosedienst. Je kunt meestal kiezen tussen regelmatige controles bij een prikpost /ziekenhuis of zelf je INR meten thuis (trombose zelfzorg). Kies je voor controle op de prikpost? Dan ga je naar een prikpost in de buurt. Een medewerker van de trombosedienst neemt dan bloed af via een prik in de arm of via een vingerprik. Zij sturen je de INR-uitslag en vertellen hoeveel tabletten of drank je moet nemen. Je kunt ook kiezen voor trombosezelfzorg. Het grote voordeel daarvan is, dat je de INR kunt meten via een vingerprik waar en wanneer je maar wilt. Dus ook als je op school, je opleiding, onderweg of op vakantie bent. Alles wordt daarbij online geregeld en je meetapparaat en teststrips worden gewoon bij je thuis bezorgd. Voor vragen kun je altijd terecht bij zorgprofessionals die gespecialiseerd zijn in de trombosezorg.

Profylaxe

Profylaxe wil zeggen dat je bloedverdunners krijgt om de kans op trombose te verkleinen. Bij langdurig stilzitten of stilliggen (bv. bij een gebroken been) of tijdens een langdurige operatie, kan profylaxe nodig zijn. Vertel altijd dat je een verhoogde kans op trombose hebt, zodat je arts kan besluiten of profylaxe nodig is.

Ook bij lange vliegreizen (langer dan acht uur) kun je denken aan profylaxe, maar als je genoeg beweegt en goed drinkt, is het meestal niet nodig. Je kunt een stoel reserveren aan het gangpad, zodat je makkelijk af en toe een stukje kunt lopen.

Als je trombose hebt gehad en zwanger wilt worden, bespreek je met de hematoloog of gynaecoloog wanneer je tijdens de zwangerschap profylaxe nodig hebt. Soms is dat alleen nodig aan het eind van de zwangerschap en soms tijdens de hele zwangerschap. Als je bloedverdunners nodig hebt moet je tweemaal daags onderhuids heparine (LMWH) spuiten. Tijdens de zwangerschap kun je geen vitamine K-antagonisten gebruiken, want die hebben invloed op de baby die in je buik groeit. Of het gebruik van DOAC’s tijdens de zwangerschap veilig is, moet nog onderzocht worden.