ferdinand

Interview: Ik vind het fijn om andere jongeren met hiv te ontmoeten

Ferdinand (14) heeft hiv.

Hoe lang weet jij het al?

Sinds ik in Nederland ben. In 2009 kwam ik hier vanuit Burundi.

Waarom kwam je naar Nederland?

Ik weet er niet meer zoveel van. Mijn broer was al in Nederland en hij wilde dat we naar Nederland kwamen. Ik woonde in Burundi met mijn schoonzus en twee zussen. Ik wist eigenlijk niks van Nederland. Ik ben met mijn schoonzus, twee zussen en een nicht hierheen gekomen en woon bij mijn broer en schoonzus. Mijn twee zussen wonen apart, zij zijn 18 en 21 jaar.

Hoe ontdekten ze dat je hiv had?

Ik had iets op mijn mond. Vlekjes en zo, op mijn lippen. Met mijn broer ging ik naar de dokter in het asielzoekerscentrum en die stuurde ons naar een ander ziekenhuis om mijn bloed te onderzoeken. Daar zagen ze dat ik hiv heb.

Schrok je?

Nee, want ik wist niet wat het was. Daarna legden mijn broer en de dokter het uit en toen begreep ik het. Eerst dacht ik dat ik dood zou gaan. Ik was echt bang. Ik moest steeds huilen en kon niet zo goed meer eten en slapen. Toen vroeg ik de dokter of ik dood zou gaan, en hij zei van niet. De dokter zei dat ik me geen zorgen hoef te maken. Maar ik moest wel altijd medicijnen gebruiken.

Hoe vond je dat?

Ik heb geaccepteerd dat ik het heb en dat ik medicijnen moet slikken. Dan kan ik lang leven. Ik slik medicijnen en ben niet zo vaak ziek dus ik hoef me geen zorgen te maken.

Wat slik je nu?

Atripla®, een keer per dag, om 20.00 uur ’s avonds.

Vind je het moeilijk om het te slikken?

Toen ik begon vond ik het moeilijk. Ik werd duizelig en kon niet goed slapen. Nu, na een jaar, ben ik eraan gewend en heb ik geen last van de medicijnen.

Slik je ze altijd?

Ik vergeet ze bijna nooit. Soms als ik ze vergeten heb, neem ik ze om 20.30 uur, iets later.

Heb je een hulpmiddel?

Ik heb geen alarm om me te helpen herinneren. Het zit in mijn hoofd. Mijn familie helpt ook mee. Als ik de tijd vergeet, dan helpen mijn zussen, broer of schoonzus me herinneren. Ze vragen ernaar.

Ben je de enige in de familie met hiv?

Ja. Mijn broer en zussen zeggen dat ik de enige in de familie ben.

Weet je hoe je eraan bent gekomen ?

Ik weet het niet. Ik heb het mijn broer gevraagd, en hij weet het ook niet.
Misschien ben ik zo geboren, en hadden mijn ouders de ziekte toen ze overleden. Mijn ouders zijn dood.

Je weet niet waaraan je ouders dood zijn gegaan?

Nee. Toen ze dood gingen was ik nog jong. Ik heb ze niet gekend. Toen ik opgroeide dacht ik dat mijn schoonzus mijn moeder was en mijn broer mijn vader. Toen ik hier in Nederland kwam zeiden ze dat dat niet zo was.

Vind je het moeilijk om hiv te hebben?

Ik heb van de dokter geleerd dat ik me geen zorgen hoef te maken en er niet zo veel over hoef te denken. Het enige waar ik aan moet denken is goed medicijnen slikken en gezond blijven.

Hoe doe je dat, gezond blijven?

Niet veel stress hebben en niet zomaar seks hebben met iemand, zonder bescherming. Dat heb ik bij de verpleegkundige en de dokter geleerd.

Heb je nu verkering?

Nee, en ik heb het ook nog niet gehad.

Wil je het ook niet?

Nee, dat wil ik niet. Toen ik hier in Nederland kwam heb ik beslist dat ik niet over verliefdheid wil denken. Ik wil gewoon studeren en een goede toekomst hebben. Verliefdheid komt daarna wel. Als ik een goede baan heb en een goed leven.

Wat doe je nu?

Ik zit op school en in augustus ga ik beginnen met de opleiding zorg en welzijn voor ouderen.

Wat wil je worden?

Ik wil in het ziekenhuis werken. Mensen prikken en verpleegkundige worden.

Ga je wel eens uit?

Ja, af en toe met mijn beste vrienden en vriendinnen van school. Dan gaan we iets leuks doen in de stad. Naar de KFC of de Mac en af en toe shoppen. Ik houd van kleren.

Weten jouw beste vrienden en vriendinnen dat je hiv hebt?

Nee, dat weten ze niet. Ik wil ze dat ook niet vertellen. Ik schaam me er ook voor. Ik weet ook niet hoe ze zullen reageren. Ze zouden me kunnen buitensluiten en dat wil ik niet.

Slik je de medicijnen waar ze bij zijn?

Ja, maar dat merken ze niet. Als het tijd is om mijn medicijnen te slikken, dan pak ik mijn sleutel en ga daar dan mee spelen. Mijn medicijnen zitten in een dop aan mijn sleutelhanger. Niemand heeft dat door.

Kun je je voorstellen dat je het ooit aan iemand zult vertellen?

Nee, behalve aan mijn familie.

En als je later een vriend of vriendin krijgt? Ga je het dan wel vertellen?

Ja, dan wel. Maar zover is het nog niet.

Wat denk je dat de mensen weten over hiv?

Ik denk dat ze er hier in Europa wel veel van weten, maar in ontwikkelingslanden niet.

Wat vinden de mensen in Burundi van hiv?

Ik denk dat het daar niet zo geaccepteerd is. Ze denken dat iemand met hiv gelijk doodgaat.
Ik heb gehoord dat het daar moeilijk is om medicijnen te krijgen. Je moet ze zelf betalen en dat is heel kostbaar.

Is het ook een taboe in Burundi?

Ja, maar ze praten er wel over. Ik heb een vriend op Facebook die woont in Burundi. Hij vroeg me hoe het leven met hiv is hier. Hij weet niet dat ik het heb. Ik zei dat het makkelijk is. Hij vroeg ook of het hier geaccepteerd wordt en ik zei ja. En dat ze langer leven dan in Burundi. Mijn vriend vertelde dat ze een praatgroep georganiseerd hebben voor jongeren van twaalf tot achttien jaar. Ze leren over hiv, hoe je het krijgt en hoe je je moet beschermen.

Hoe zorg je ervoor dat je mensen niet besmet?

Ik gebruik mijn eigen nagelschaartje en als ik wondjes heb bij het knippen, verstop ik het, zodat een ander het niet gebruikt. Als ik later een vriend of vriendin heb, dan vertel ik dat ik ziek ben.

Lees je veel over hiv?

Niet echt. De informatie krijg ik van het ziekenhuis.

Ben je niet geïnteresseerd?

Jawel, maar ik kan nog niet zo goed Nederlands lezen. Anders zou ik het wel doen.

Hoe zie jij je toekomst met hiv?

Ik maak me nu geen zorgen. Ook niet over de toekomst. Ik denk ook niet dat hiv mijn leven gaat beïnvloeden of dat ik ergens niet aan mee mag doen.

Zoek jij ook andere kinderen op met hiv?

Ja, ik zit bij The Young Ones? Dat is leuk. Dat doe ik een keer per jaar.

Heb jullie ook nog contact met elkaar?

Ja, via WhatsApp.

Wat vind je daarvan?

Het helpt mij wel. Als we op de WhatsApp kletsen vragen ze bijvoorbeeld of ik mijn medicijnen al genomen heb, dan voel ik me blij.

Praat je ook over andere dingen?

Over school en over de toekomst.

Ontmoet jullie elkaar daarna ook nog?

Ja, vaak in het weekend. Dan spreken we ergens af en gaan we iets leuks doen. Het is een soort van familie voor me. We praten dan over de ziekte, maar doen ook leuke dingen. Mijn vrienden met hiv wonen ver weg. Het zou fijn zijn als ze meer in de buurt waren. Ik wil een groepje hebben met andere jongeren met hiv die elkaar regelmatig ontmoeten. Ik zou daar heel veel aan hebben. Nu voel ik mij zo nu en dan best eenzaam.

Hoor je wel eens van jongeren die onveilig vrijen?

Ja, ik schrik daar wel van. In deze wereld is hiv niet de enige ziekte. Er zijn heel veel geslachtsziekten. Als een jongen gaat vrijen zonder bescherming, schrik ik daarvan. Vertrouwt hij dat meisje dan zo, of misschien wil hij de ziekte aan iemand geven. Dat vraag ik me dan af. Maar ik kan me er niet mee bemoeien, want het is andermans leven.

Waarschuw je mensen die je kent wel eens dat ze beter moeten oppassen?

Ja, mijn beste vrienden van school. Die houden van uitgaan en drinken. Ik houd niet van drinken. Wel van uitgaan, iets leuks doen in de stad. Ik zie meisjes van mijn leeftijd en die waarschuw ik dat ze moeten oppassen met wat ze doen. Af en toe doen ze wel eens gevaarlijke dingen. Ze zoenen met iemand die ze nog maar net kennen. Dan vraag ik waarom ze dat doen, omdat ze helemaal niets van die ander weten. Daar moeten ze mee oppassen.

Interviews