Annelou

Interview: Laten we ophouden in te delen in mannen en vrouwen

Annelou de Vries (50) is kinderpsychiater in het VU medisch centrum en is betrokken bij het genderteam en het DSD-team. Ze houdt zich o.a. bezig met genderidentiteit en genderdysforie.

Wat houdt jouw werk in?

Ik zie kinderen met diverse ziektes, ook met vragen op het gebied van genderdysforie en transgender.

Wat versta jij onder genderidentiteit?

Genderidentiteit zegt iets over tot welk geslacht je je voelt behoren. Jongen, meisje of iets daartussenin. Het wisselt soms van dag tot dag hoe iemand zich voelt.

Wanneer komt dat besef?

Als je heel klein bent, heb je geen besef van je geslacht, of je een jongetje of een meisje bent. In de peutertijd gaan kinderen begrijpen dat er jongens en meisjes zijn, dan gaan ze bij zichzelf na wat zij zelf zijn. Ze maken dan wel eens vergissingen of ze hebben nog andere ideeën over meisje of jongen zijn; ze denken dat je morgen weer van een ander geslacht kunt zijn of dat je een meisje wordt als je een jurkje aantrekt. Later komt het besef dat het iets met je geboortegeslacht te maken heeft wat je niet zomaar kunt veranderen. Bij de meeste kinderen ontstaat tegelijk met dit begrip, zo tussen de drie en vijf jaar, ook het gevoel een jongen of een meisje te zijn. Voor de meesten verandert dit niet meer, maar er zijn ook kinderen die al vroeg in hun gedrag laten zien dat ze zich anders voelen. Op de basisschool geldt voor veel kinderen dat je vooral speelt met kinderen van het gelijke geslacht. Speel je met jongens, dan hoor je bij de jongens en andersom. Die genderidentiteit kan nog veranderen en veel meisjes en jongens die op jonge leeftijd zeggen tot het andere geslacht te willen behoren, zijn uiteindelijk rond de puberteit toch tevreden met hoe ze geboren zijn. Maar als de puberteit gaat beginnen en de uiterlijke geslachtskenmerken duidelijker worden (bij meisjes groeien borsten en bij jongens de ballen en de piemel, later ontstaat ook een lage stem), dan zijn er ook kinderen die nog duidelijker voelen dat hun geboortegeslacht niet klopt bij hun ervaren geslacht. Meestal hebben ze zich tot dan toe ook niet heel gendertypisch gedragen. De puberteit is dus een tweede belangrijke periode waarin sommige kinderen zeggen dat ze ongelukkig zijn met het geboortegeslacht en dat ze zich prettiger voelen bij het andere geslacht.

Doen jullie daar onderzoek naar?

Ouders vragen wel eens of we op zoek gaan naar een baarmoeder of dat er een kern in de hersenen is die bepaalt of je je man of vrouw voelt, nou die is er niet, dat kan niet. Onderzoek bij ons is praten. Wij horen wat iemand voelt of denkt of hoe hij of zij zich gedraagt. We praten met kinderen en ouders en hebben vragenlijsten die ons ook wel helpen om erachter te komen welk geslacht iemand bij zich vindt passen.

Wat is genderdysforie?

Dysforie is een moeilijk woord uit de psychiatrie voor ongelukkig zijn. Genderdysforie is ongelukkig zijn met het bij de geboorte toegewezen geslacht. Er zijn kinderen die er pas later achterkomen, maar er zijn ook ouders en kinderen die het altijd al wisten, en het op jonge leeftijd al uiten. Op de basisschool worden de kinderen vaak naar geboortegeslacht ingedeeld; de meisjes gaan dit doen en de jongens gaan dat doen. Voor sommige kleuters is dat heel vervelend. Dan kunnen ze niet diegene zijn die ze zich voelen te zijn. Op die leeftijd zou je daar helemaal niet moeilijk over hoeven te doen. Eigenlijk kan een kleuter nog gemakkelijk zijn wie hij wil zijn.

Hoe kun je kinderen die twijfels hebben op weg helpen?

De kinderen vinden het vaak lastig dat de omgeving dingen van hen vraagt waarvan ze denken dat dat zo hoort. Sommige jongetjes willen graag een prinsessenjurk dragen, maar durven dat niet omdat ze bang zijn uitgelachen of gepest te worden. Je kunt kinderen heel erg helpen door ze te vertellen dat alles mag en dat ze alles mogen uitproberen. Dat ze geboren worden met een bepaald geslacht, maar de buitenwereld niet bepaalt wat er van ze verwacht wordt, dat zij zelf voelen wat prettig is.

Lukt dat?

Ik maak het bespreekbaar. Kinderen die zich niet in hun geboortegeslacht thuis voelen zijn in de minderheid. Ze zullen zich altijd een beetje anders voelen. Maar als je kinderen al van jongs af aan bijbrengt dat er variatie is, dat iedereen anders is en dat geen van ons in een hokje past, dan kunnen ze daar heel veel aan hebben. Ik zie op de transgenderpoli, waar kinderen geen DSD hebben en dus als jongen of als meisje geboren worden, dat kinderen op heel jonge leeftijd al kunnen praten over wie ze zijn, hoe ze zich voelen. Het is opvallend hoe in een aantal jaren in Nederland er veel openheid en tolerantie is ontstaan over het ongelukkig zijn met je geboortegeslacht, of, zoals er vaak over gesproken wordt, geboren zijn in een verkeerd lichaam.

Genderidentiteit in relatie met DSD of intersekse, hoe uit zich dat bij kinderen?

Voor heel veel kinderen en ouders is het moeilijk om te praten over wat er aan de hand is. Daarom wordt het soms heel lang uitgesteld. Ze wachten op het moment waarop een kind het wel kan begrijpen, maar omdat het zo complex is wordt het steeds moeilijker om erover te beginnen. Er wordt gewacht op het juiste moment, dat nooit lijkt te komen. Ik zeg wel eens, begin er maar over te praten als je kind nog een baby is. Die snapt er dan nog niets van, maar als ouder kun je dan alvast de woorden ervoor vinden die bij je passen. Probeer vanaf de peutertijd in gesprek te zijn met je kind zodat het niet op een lastig moment, zoals in de puberteit, pas uitgelegd hoeft te worden.

Wanneer begin je erover in het gezin of de directe omgeving?

Zoals gezegd, moedig ik het aan om er al heel jong over te praten, zeker als er uiterlijke geslachtskenmerken zijn die vragen oproepen bij de omgeving. Je zult toch uitleg moeten geven aan een broertje of zusje waarom iets niet getoond wordt aan de buitenwereld. Ook als je medicijnen moet nemen of geopereerd moet worden, moet een jong kind op zijn eigen leeftijdsniveau weten waarom dat is. De puberteit is een belangrijke periode, want dan moet je het ook gaan hebben over hormoongebruik. Daarom is het handig om het er ruim van tevoren al over te hebben, liefst op de basisschool. Veel kinderen begrijpen dan al een heleboel. We proberen de ouders zelf het gesprek te laten voeren, maar soms is het prettig om het samen met een kinderarts te doen, bijvoorbeeld als het een heel ingewikkeld verhaal is.

Hoe begeleid je de ouders?

We hebben een genderteam en een DSD-team, waarin verschillende disciplines zitten. Zij begeleiden de ouders. Het begint al bij de geboorte. Dan kom ik soms al langs bij het kraambed, en ik probeer dan de kinderen te volgen in de jaren erna. Veel ouders met een kind met DSD hebben immers een nare geboorte meegemaakt. De blijheid van de geboorte wordt soms helemaal overschaduwd door de twijfel over het geslacht en het geheim, aan wie ze het wel of niet moeten vertellen. Als team help je ze om er op een goede manier mee om te gaan en geef je de boodschap mee dat er een mooi leven mee te leiden is. Er is misschien niet een typisch meisje geboren, maar wel een mensje.

Aan wie vertel je het wel?

Dat is voor veel gezinnen een belangrijk thema dat ontwrichtend kan werken. Je loopt met een geheim rond en dat kan een last worden. Het hele dorp hoeft het niet te weten, maar je beste vrienden wellicht wel. Voor kinderen is het vreemd dat ze iets wat zo'n onderdeel van henzelf is niet kunnen delen. Dat proberen we bespreekbaar te maken. Met geheimhouden kun je de impliciete boodschap overbrengen dat er iets niet goed is. Ouders denken daar vaak niet over na, zij zijn bang dat anderen ermee aan de haal gaan. Maar rondlopen met een geheim is belastend voor veel jongeren. Dat is wat ik vaak hoor van jongvolwassenen. In die periode gaan relaties spelen en seksualiteit. Heel veel intersekse-aandoeningen gaan gepaard met onvruchtbaarheid. Hoe ga je die seksualiteit vormgeven en wat vindt een partner ervan, dat zijn ingewikkelde thema's voor pubers. Als ze het dan kunnen vertellen is dat een opluchting.

Pleit je impliciet voor het opheffen van geheimhouding?

Ik denk dat het voor veel mensen heel prettig zou zijn. De angst is om anders gevonden te worden, maar als we durven te vertrouwen in een maatschappij die variatie omarmt en tolereert, dan zou je daar open over mogen zijn. De transgenders hebben wat dat betreft voorwerk gedaan, die ervaren inmiddels best wel wat tolerantie. Als je hoort hoe open daar in gezinnen over gesproken wordt, dan kunnen gezinnen met DSD en intersekse daar een voorbeeld aan nemen. Je kunt er baat bij hebben, door open te zijn kun je begrip ontmoeten.

Kinderen met een partieel of compleet AOS worden vaak als meisje bevestigd?

Ja, terwijl zij ook mogen zijn zoals ze zich voelen. In wezen denk ik, laten we tegen ieder kind, DSD of niet, zeggen, je bent goed zoals jij je voelt. Maar daar hebben we als maatschappij nog een hele weg in te gaan. De gewone volwassene, het gewone kind, het gewone meisje of de gewone jongen bestaan eigenlijk niet. Het is heel normatief. Het is geruststellend bedoeld, maak je maar geen zorgen, je bent gewoon een meisje. Maar als je als kind die boodschap meekrijgt, kun je ook denken, wat is dat dan, gewoon een meisje? Misschien voel ik me wel helemaal niet gewoon een meisje.

En als ik niet vruchtbaar ben, ben ik dan een gewoon meisje?

Het niet zwanger kunnen worden, zie je daar verdriet over?

Voor sommige kinderen is het heel verdrietig. Er zijn erbij die al vroeg weten dat ze later moeder willen worden. Die zijn daar heel verdrietig over. Voor ouders is het ook verdrietig. Maar de echte vraag of je kinderen wilt, komt pas veel later, tegen de volwassenheid.

Hoe zie jij de toekomst?

Ik fantaseer wel eens dat het helemaal niet meer nodig is om de wereld in jongens en meisjes in te delen. In Duitsland kun je nu kiezen om niet als man of vrouw geregistreerd te zijn, maar als 'het'. Onze persoonsregistratie is inmiddels zo ver ontwikkeld dat geslachtsaanduiding niet meer noodzakelijk is. We zouden er dus vanaf kunnen. Je zou kunnen zeggen dat iedereen opgebouwd is uit zowel vrouwelijke als mannelijke kenmerken. Laten we ophouden in te delen in mannen en vrouwen. Maar ik denk dat dat nog heel ver weg is.

Komen de kinderen en jongeren met DSD zelf langs met vragen?

Niet vaak. Zeker als ik ze vergelijk met transgender jongeren, die er soms op jonge leeftijd al open over zijn. Jongeren met intersekse en DSD komen meestal niet uit zichzelf. Het zijn vaak de ouders en ook de dokters, die vinden dat het goed zou zijn als er gepraat wordt. Ik begeleid vooral de ouders, hoe ze erover kunnen praten met hun kind. Soms is het belangrijker dat het hele gezin een psycholoog ziet dan alleen het kind. Thuis is de plek waar je je privédingen deelt, als het als gezin lukt om er samen over te praten, dan hoeft een kind niet alleen naar een psycholoog, tenzij het ergens mee zit.

Zie je kinderen wel eens alleen?

Zeker oudere kinderen vinden het prettig om over hun problemen te praten, zonder hun ouders erbij. Ze zitten niet altijd te wachten op een volwassene die ingewikkelde dingen met ze wil bespreken. Het is ook een moment dat je dat met je vrienden en vriendinnen wilt doen, leeftijdgenoten. Lotgenotencontact kan dan ook heel fijn zijn. De puberteit is vaak een heel lastige periode voor praten met een psycholoog. Het standaardpakket dat voorschrijft dat er gepraat moet worden, werkt niet altijd.

Raken kinderen wel eens in de war door vragen over hun genderidentiteit?

Veel kinderen met een DSD vragen zich helemaal niet af of ze zich jongen of meisje voelen. De meesten twijfelen daar helemaal niet aan. We vertellen ze overigens wel dat ze mogen twijfelen en dat variatie mogelijk is. Dat ze zich een meisje voelen maar wel jongensachtig gedrag vertonen. Dat is heel fijn als kinderen dat mee kunnen krijgen.

Interviews