yvonneh

Interview: Bowlingballen vooruitblazen

Yvonne Hoekveen doet de longfunctieonderzoeken op de Kinderhaven polikliniek voor kinderen met astma, allergie en eczeem van het Havenziekenhuis in Rotterdam. Ze is medisch analiste en doktersassistente en heeft een aanvullende opleiding spirometrie gedaan.

Hoe gaat dat, het meten van de longfunctie?

De kinderen krijgen een knijper op de neus en een mondstuk in de mond. Eerst moeten ze heel rustig ademhalen, en als dat allemaal goed gaat vraag ik ze om heel diep in te ademen en daarna heel hard uit te blazen en dat dan zo lang mogelijk vol te houden. Het laatste stukje is het lastigste. Ik doe het zelf altijd een paar keer voor en laat de kinderen ook eerst even oefenen. Ze moeten een paar keer blazen. Het gaat erom dat we drie dezelfde uitslagen hebben. Ze mogen tien keer blazen, maar meestal lukt het wel in een keer of zeven. Dat is eigenlijk ook het maximale wat de meeste kinderen aankunnen.

Met welke leeftijd kan een kind longfunctie blazen?

Gemiddeld vanaf een jaar of zes. Sommige kinderen zijn er met vijf al aan toe en anderen met zes nog niet. Voor hele kleintjes is het nog te moeilijk.

Wat is er zo moeilijk aan?

Ze moeten heel veel dingen tegelijk doen. Maar het moeilijkste is om heel hard te blazen, dat kunnen ze nog niet. Kinderen vanaf vier jaar kunnen wel gewoon uitblazen en een NO-test doen. Dat is de eerste test, daar beginnen we altijd mee. Dan moeten ze een poppetje op het scherm naar de overkant blazen van het water. Dan probeer ik ze te stimuleren door dingen te zeggen als: ‘Als je niet hard genoeg blaast krijgt het meisje natte voeten.’

Hoe stimuleer je kinderen bij de longfunctietest?

Ik probeer ze altijd op een leuke manier te benaderen en daag ze uit om te laten zien wat ze eruit kunnen halen. Ik doe ook altijd mee. Dat stimuleert de kinderen en ik ervaar zelf wat ze moeten doormaken. Bij de kleintjes gaat het gemakkelijk, daar hebben we verschillende spelletjes voor, zoals kaarsen die ze moeten uitblazen, een toaster waar boterhammen in gaan of bowlingballen die ze moeten rollen. De kinderen kunnen op de pc zien wat ze doen. Ik ben zelf een grote fan van de bowlingballen. Dat vind ik een heel stimulerend spel. Die zware bal die als je blaast langzaam steeds verder rolt. Ik zit er naast en moedig ze aan: ‘goed zo, nog een klein stukje, je bent er bijna, ga zo door…’

En pubers, hoe stimuleer je die?

Ook door ze uit te dagen om hun best te doen. Als dat niet helpt probeer ik ze ervan te overtuigen dat het belangrijk is voor hun behandeling. Ik laat ze het nut ervan inzien. De dokter kijkt straks naar de resultaten en daar wordt de behandeling op gebaseerd. Meestal werken ze dan wel mee. Als ze helemaal niet willen stuur ik ze gewoon terug naar de wachtkamer. Ik kan ze ook niet dwingen. Soms bemoeien de ouders zich ermee, waardoor het kind zich verzet. Dan kan het helpen om de ouders even weg te sturen.

Zijn de resultaten altijd goed?

Ik beoordeel ook de kwaliteit van de test en soms twijfel ik of het wel helemaal goed is gedaan. Dan maak ik een aantekening voor de specialist. Maar meestal doen ze echt goed hun best.

Interviews